Gustave Flaubert

Gustave Flaubert (1821-1880) was als scholier een lastige leerling, die vooral literatuur van romantische schrijvers las. Hij had al vroeg een afschuw van de banaliteit van het dagelijks leven en het milieu waarin hij opgroeide. Hij verbleef een groot deel van zijn leven op zijn landgoed in Normandië en zocht afwisseling tijdens zijn reizen naar het Midden-Oosten. Beide sferen zijn terug te vinden in zijn werk. Madame Bovary (1857) en L’éducation sentimentale (1869) zijn bijvoorbeeld kenmerkend voor de eerste, Salammbô (1862) voor de tweede.
Binnen zijn werk staat het onderscheid tussen realisme en romantiek centraal. Hij gebruikt ironie, maar biedt de lezer ook gelegenheid genoeg sympathie te ontwikkelen voor de personages, waardoor die zich met hen kan identificeren. Flaubert richtte zich met name op deze dubbelheid, die vooral in zijn ‘burgerlijke’ romans goed naar voren komt. Flaubert besteedde dermate veel aandacht aan zijn stijl dat hij weliswaar langzaam schreef, maar wel als een van de grootste Franse stilisten geroemd wordt. Beschrijvingen zijn voor hem niet zo zeer illustratief als wel een middel. Er is in zijn werk geen sprake van doorlopende gebeurtenissen, maar eerder van een opeenvolging van beelden. Het heeft daardoor iets ondoorgrondelijks.