Kester Freriks

Kester Maria Freriks (Jakarta, 1954) werd geboren aan de Djalan Mangarai Selatan dua in de hoofdstad van Indonesië. In januari 1958, op driejarige leeftijd, repatrieerde hij met zijn familie naar Nederland. Na vele omzwervingen woont hij sinds 1974 in Amsterdam. In 1979 debuteerde hij met de verhalenbundel Grand Hotel Lembang. Sindsdien schreef hij een omvangrijk oeuvre van romans, verhalenbundels, een schrijversbiografie, toneel, beschouwingen en poëzie. Sinds 1981 schrijft hij artikelen over theater, literatuur en natuur voor het NRC Handelsblad.
Zijn geprezen roman Hölderlins toren (1981) werd bekroond met de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs, vertaald in het Duits en drong door tot de Amerikaanse universiteiten waar Nederlands wordt gedoceerd. De Eastern Michigan University Press schreef dat Kester Freriks een schrijver is ‘haunted by the past’. In het academische jaar 1985-1986 was hij writer-in-residence aan de University of Minnesota, USA. Hij publiceerde fictie in toonaangevende literaire tijdschriften als The Massachusetts Review en The Literary Review. Over deze verhalen schreef The New York Times Book Review dat ze het toonbeeld zijn van ‘Dutch fiction, where values are in vogue’. Volgens de Provinciale Zeeuwse Courant is Freriks ‘de laatste romanticus van de Nederlandse literatuur’.
In romans als Ogenzwart (1997), Koningswens (2001), de biografische roman Madelon. Het verborgen leven van Madelon Székely Lulofs (2005) en Dahlia’s en sneeuw (2008) werkt Freriks thema’s uit als het bevechten van liefde, jeugd en ouderdom, zijn geboorteland Indië en de fascinerende kracht van het verleden. Zijn grote schrijversbiografie Geheim Indië. Het leven van Maria Dermoût 1888-1962 (2000) ontving veel lof:
‘… door de grondigheid van zijn onderzoek indrukwekkend’ (Vrij Nederland), ‘liefdevol’ (NRC Handelsblad) en ‘indringend verslag van een bijzonder leven’ (Elsevier).